St.Jan.Ingang - - van Swaaij Cassastie & Consultancy - cassatieadvocaat - cassatie advocaat

Sint-Janskathedraal op 1 dezer (foto SvS, iPhone 11 Pro Max)

Noviomagus. Gisteren is door de Hoge Raad in een arbeidszaak een beschikking gegeven die niet alleen belangrijk is voor het arbeidsrecht, maar ook interessant is wat betreft de zogeheten gelaagde structuur van het BW.

Casus – sollicitant liegt over zijn opleiding (pseudo-psychotherapeut)

De casus komt – in essentie  – op het volgende neer. P. solliciteert naar de functie van psychotherapeut bij een zorginstelling. P. geeft in zijn curriculum vitae onder meer te kennen dat hij jarenlang werkervaring heeft als klinisch psycholoog/psychotherapeut en de vereiste BIG-registratie heeft. Nadat de zorginstelling hem voor onbepaalde tijd in dienst genomen heeft voor een brutosalaris ten bedrage van € 6.274,75 per maand, blijkt (1) dat de kwaliteit van het door hem geleverde werk absoluut onverenigbaar is met de aard en inhoud van zijn functie, en  (2) dat hij nooit die BIG-registratie heeft gehad. Per e-mail deelt de zorginstelling P. mede dat zij de arbeidsovereenkomst vernietigt wegens bedrog en het aan hem betaald salaris terugvordert.
Daarop verzoekt P. de kantonrechter om een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet vernietigd is en dient de zorginstelling een tegenverzoek in dat ertoe strekt dat P. veroordeeld wordt tot terugbetaling van het door hem ontvangen netto-salaris (onverschuldigde betaling; art. 6:203 BW).

N.B. Bij alleen ontbinding of ontslag op staande voet heeft de zorginstelling geen recht op die terugbetaling, nu ontbinding en ontslag op staande voet geen terugwerkende kracht hebben.

Hof: voor vernietiging arbeidsovereenkomst geldt „extra vereiste”

In hoger beroep komt het Bossche Hof tot de oordelen (1) dat het in beginsel gesloten stelsel van het ontslagrecht niet in de weg staat aan buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrog, maar (2) dat de bescherming van de werknemer als zwakkere partij in het arbeidsrecht in die zin doorwerkt in het privaatrechtelijke leerstuk van de vernietiging, dat als „extra vereiste” voor vernietiging geldt dat de arbeidsovereenkomst „(vrijwel) geheel nutteloos” is gebleken. Aan dit ‘extra vereiste’  is volgens het Hof in casu niet voldaan.

Cassatiemiddel

In mijn cassatiemiddel heb ik klachten gericht tegen beide voornoemde – bij (1) en (2) – oordelen. Ik voerde onder meer aan dat volgens art. 3:44 lid 1 BW „[e]en” rechtshandeling vernietigbaar is, wanneer zij door bedrog tot stand gekomen is, zodat – door de gelaagde structuur van het BW – ook een arbeidsovereenkomst vernietigbaar is indien deze door bedrog tot stand gekomen is, en dat deze wetsbepaling het Hof geen ruimte laat om dat ‘extra vereiste’ te hanteren.
Tevens voerde ik onder meer aan dat de bepalingen in Titel 10 van Boek 7 BW die bescherming bieden aan werknemers als zwakkere partijen er, uiteraard, niet toe strekken om een bedrieger als P. te beschermen, die immers door bedrog ‘aan zijn arbeidsovereenkomst gekomen is’.   

Het dwaalspoor

In mijn toelichting op deze klachten schreef ik met zoveel woorden dat het Hof een dwaalspoor gevolgd had, en dat dit in 2001 uitgezet was door arbeidsrechtadvocaat M. van Eck in haar artikel De invloed van wilsgebreken in het arbeidsrecht (ArbeidsRecht, 2001/16). Aansluiting zoekend bij jurisprudentie van de Hoge Raad over de consequentie van een ontbindende voorwaarde waaronder een arbeidsovereenkomst aangegaan is, heeft Van Eek zich op het standpunt gesteld dat verdedigd zou kunnen worden dat buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst alleen mogelijk zou zijn, indien de arbeidsovereenkomst „geheel nutteloos blijkt na de ontdekking”  van het bedrog en indien door vernietiging geen opzegverboden omzeild worden. Van Eek noemde daarbij als voorbeeld de advocaat-stagiair die aangenomen wordt door een advocatenkantoor op basis van een vervalste bul van de universiteit. Vervolgens zette ik uiteen waarom uit die jurisprudentie niet volgt dat een arbeidsovereenkomst ‘dus’ niet wegens bedrog vernietigbaar is. MEER

Hoge Raad

Het cassatiecollege oordeelde (lay-out iets anders):

„3.2.1   Indien een werknemer een werkgever ertoe beweegt een arbeidsovereenkomst tot stand te doen komen door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat hij verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep, is bedrog aanwezig en kan de werkgever zich beroepen op de (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst. In een dergelijk geval beschermt art. 3:44 lid 3 in verbinding met lid 1 BW de werkgever tegen de gevolgen van de onredelijke invloed die de werknemer heeft uitgeoefend op de wil van de werkgever. Het wettelijk stelsel van het ontslagrecht staat daaraan niet in de weg, omdat dat niet strekt tot bescherming van een werknemer die bedrog pleegt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

Daarbij verdient opmerking dat a) de rechter ingevolge art. 3:53 lid 2 BW desgevraagd aan de vernietiging geheel of ten dele haar werking kan ontzeggen als de reeds ingetreden gevolgen van de arbeidsovereenkomst bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, en b) de in geval van vernietiging toepasselijke afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW2 ertoe strekt de wederzijdse verplichtingen tot ongedaanmaking van hetgeen onverschuldigd is betaald, toe te snijden op de feiten en omstandigheden van het voorliggende geval.

Het vorenstaande laat onverlet dat een beroep van de werkgever op vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn (art. 6:248 lid 2 BW).

3.2.2.  Uit art. 3:44 lid 3 BW volgt niet de eis dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, zodat het kunnen slagen van een beroep op (buitengerechtelijke) vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog daarvan niet afhankelijk mag worden gesteld. Indien de arbeidsovereenkomst voordeel heeft opgeleverd voor de werkgever, kan daarmee rekening worden gehouden bij de hiervoor in 3.2.1 bedoelde toepassing van art. 3:53 lid 2 BW en van de regeling vervat in de afdeling omtrent onverschuldigde betaling in Boek 6 BW.”
Daarom casseerde de Hoge Raad de bestreden beschikking.

Ten slotte

We zullen in de (nabije) toekomst zien dat door een werkgever vaker een beroep gedaan zal worden op een wilsgebrek. Waar ligt de grens bij een aangedikt curriculum vitae?

Een link naar ’s Hogen Raads beschikking staat HIER.