Wilt u bij wijze van second opinion cassatieadvies? Leest u dan meteen HIER. Ook als u een third opinion wenst.

Recente succesvolle cassatieberoepen van Sjef van Swaaij

– HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552

Aanvangsmoment van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW. De Hoge Raad casseerde. MEER

–  HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:407
Opdracht. Beëindiging van commanditaire vennootschap tussen vader en zoon. Verwijt van zoon dat overnameprijs voor aandeel vader te hoog is berekend in verband met latente belastingverplichtingen. Beroep op dwaling jegens vader en beroep op toerekenbare tekortkoming jegens accountant-belastingadviseur. De Hoge Raad casseerde. HIER

– HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2833 

Is  inningsbevoegde pandhouder (art. 3:246 BW) bevoegd om het faillissement van de panddebiteur aan te vragen? De Hoge Raad casseerde. MEER

– HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2821 

Contractenrecht. Verkoop bedrijfspand met huurgarantie door verkoper. Geldt huurgarantiebeding ook bij doorverkoop van het vastgoed? Uitleg. Miskenning Haviltexmaatstaf. De Hoge Raad casseerde. MEER

– HR 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2445  

Verbintenissenrecht. Vraag of coöperatie van huisartsen gehouden is huisarts aan wie voorwaardelijke tuchtmaatregel is opgelegd toe te laten tot waarnemingsdiensten. Contractsvrijheid, beoordelingsruimte, verantwoordelijkheid voor patiëntenzorg. Belangenafweging. De Hoge Raad casseerde. MEER

– HR 27 mei 2016, ECLI:HR:2016:995

Erfrecht. Afwikkeling nalatenschap. Zoon heeft vóór het overlijden van de moeder onrechtmatig gelden onttrokken aan haar vermogen. Berekening rente over de daaruit ontstane vordering uit onrechtmatige daad. De Hoge Raad casseerde.  MEER

 “Het is leuk om te klagen dat drie appèlrechters, die geacht worden goede rechters te zijn, hebben zitten slapen.”

(Sjef van Swaaij in de Volkskrant, 30 september 2014) 

– HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:335 

Aanvang van de verjaringstermijn van art. 7:942 lid 2 (oud) BW. De Hoge Raad casseerde. MEER

– HR 15 januari 2016, RvdW 2016/147

Bewijsaanbod in appèl. Getuigen. Prognoseverbod. De Hoge Raad casseerde. MEER

– HR 18 december 2015, NJ 2016, 29 

Toestemming echtgenoot vereist voor borgstelling door bestuurder van vennootschap? Art. 1:88 lid 1, onder c, BW. Is overbruggingskrediet aangegaan ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van die vennootschap (art. 1:88 lid 5 BW)? De Hoge Raad casseerde. MEER

– HR 4 december 2015, NJ 2016/16

Proceskostenveroordeling: wanneer wordt een partij geheel of gedeeltelijk in het gelijk of ongelijk gesteld? Voorts: principiële vraag aangaande de Handelsnaamwet. De Hoge Raad casseerde. MEER

–  HR 15 september 2015, NJ 2015, 354

Terugkomen op verlening akte niet-dienen (memorie van grieven). De Hoge Raad casseerde. MEER

Ruim achttien jaar ervaring en in cassatie aantoonbaar zowel uitstekend opgeleid, als succesvol

Inmiddels al weer ruim achttien jaar geef ik cassatieadvies en procedeer ik bij de Hoge Raad in civiele zaken. Ik ben opgeleid door mr. G. Snijders, mijn patroon, die inmiddels al weer jaren raadsheer is in de Civiele Kamer van de Hoge Raad der Nederlanden.

Aantoonbaar ingenieuze, verrassende en meeslepende argumentatie

 

Foto.Toga.Krayenhoff
Het vak beoefen ik met dezelfde gedrevenheid als die waarmee ik mijn proefschrift schreef. Dit boek is gerecenseerd door mr. W. Snijders, oud-vicepresident van de Hoge Raad en oud-Regeringscommissaris voor het NBW. Mr. W. Snijders wordt algemeen gezien als Nederlands – met afstand – beste jurist. Het zou daarom blasé zijn, als ik hier zou verhelen dat ik er best wel (een beetje) verguld mee ben dat hij het in zijn recensie van mijn dissertatie heeft over:

„{…} de ingenieuze en soms verrassende wijze waarop Van Swaaij zijn vondst ontvouwt en uitwerkt {…} de meeslepende werking {…} een dogmatische vondst”. LEES MEER

Hoe overtuig je de Hoge Raad ervan dat hij een arrest of beschikking van een gerechtshof dient te vernietigen? Uiteindelijk gaat het om de kwaliteit van de argumentatie voor de bepleite cassatie.

Succesvolle cassatieberoepen door de jaren heen: vier voorbeelden

20130223-190504.jpg

In ’s Hogen Raads kleine zittingszaal, november 2012 (foto Menno Bruning)

De civiele cassatiepraktijk van Van Swaaij Cassatie & Consultancy is een algemene civiele praktijk met als bijzonderheid de specifieke kennis en kunde aangaande het Vermogensrecht in het algemeen, het Burgerlijk procesrecht alsmede het voeren van en het adviseren over procedures bij de Hoge Raad.

Vier voorbeelden door de jaren heen van zaken waarin de Hoge Raad de uitspraak van het betreffende gerechtshof op mijn initiatief vernietigd heeft en in zijn arrest/beschikking vermeld is dat „{…} mr. J.H.M. van Swaaij {…}” de advocaat is van de partij die het cassatieberoep ingesteld heeft:

  1. Vorderingen op naam. Leidt contractueel overdrachtsverbod tot onoverdraagbaarheid?
    HR 21 maart 2014, NJ 2015, 167 (Coface/Intergamma)
  2. Pluraliteit van schuldenaren en draagplicht in vennootschappelijke verhoudingen
    (HR 13 juli 2012, NJ 2012, 447)
  3. Hoger beroep: strekking en koerswijziging in appèl
    (HR 10 juli 2010, NJ 2010, 418)
  4. Onheuse omgangsondertoezichtstelling
    (HR 13 april 2001, NJ 2002, 5  m.nt. J. de Boer)

Ad 1. Vorderingen op naam. Leidt contractueel overdrachtsverbod tot onoverdraagbaarheid?

njIn deze zaak ging het om de uitleg van algemene inkoopvoorwaarden en in het bijzonder van het daarin vervatte beding dat verkoper de vordering op koper niet “zal” overdragen/verpanden.
Was aldus sprake van een beding waarbij de vordering onoverdraagbaar gemaakt wordt in de zin van art. 3:83 lid 2 BW? Hierin wordt bepaalt: „De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.”  Volgens het hof was in casu sprake van zo’n onoverdraagbaarheidsbeding. Nadat een ander gerenommeerd kantoor – het staat aan de Zuid-as – een negatief cassatieadvies gegeven had, gaf ik bij wijze van second opinion een positief cassatieadvies. Daarna stelde ik cassatieadvies in. De Hoge Raad vernietigde ’s hofs arrest. MEER

van Swaaij Cassatie & Consultancy

Ad 2. Pluraliteit van schuldenaren en draagplicht in vennootschappelijke verhoudingen (NJ 2012, 447)

In deze zaak had het Hof geoordeeld dat een moedervennootschap verplicht was om aan de curator van haar gefailleerde dochtervennootschap te betalen de helft van een bedrag dat deze dochter méér dan de moedervennootschap had betaald aan ABN Amro ter delging van een door beide vennootschappen “onder solidair verband” en niet hoofdelijk aangegane schuld. Het Hof had niet gerespondeerd op de stelling van de moedervennootschap dat zij in haar onderlinge verhouding met haar dochter überhaupt niet draagplichtig was.

njOp grond van mijn incidentele cassatiemiddel voor de moedervennootschap vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof, waarbij het cassatiecollege overwoog dat het Hof klaarblijkelijk op basis van de  hoofdregel van art. 6:6 lid 1 BW (“Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn.”) geoordeeld had dat de moeder voor de helft draagplichtig was. Deze hoofdregel ziet evenwel niet op de interne relatie tussen schuldenaren.

In overleg met mijn correspondent, de advocaat van de moedervennootschap, zag ik namens haar af van het voeren van verweer in het principale cassatieberoep van de curator en refereerde ik me te dezen namens haar aan het oordeel van de Hoge Raad, welk beroep gericht was tegen een (inderdaad) werkelijk onbegrijpelijk oordeel van het Leeuwardense Hof. Dit leidde ertoe dat in het principale cassatieberoep de moedervennootschap niet in de kosten veroordeeld werd – deze werden gereserveerd tot in de procedure na cassatie en verwijzing. Intussen werd de curator in het incidentele cassatieberoep wèl veroordeeld in de kosten, omdat hij vergeefs verweer gevoerd had tegen het incidentele middel. De tekst van het arrest is HIER na te lezen.

Overigens zie je dat in het arrest (rov. 2) alleen geëxpliciteerd wordt dat ik de schriftelijke toelichting gegeven heb (dus: alleen op het voorwaardelijk incidentele middel). Het cassatieberoep was namelijk ingesteld geruime tijd vóór 1 juli 2012, waarop de Wet versterking cassatieadvocatuur in werking is getreden. De gerenommeerde advocaat bij de Hoge Raad mr. K.G.W. van Oven, die wist wat ik kan en daarom zijn naam er wel aan wilde verbinden, fungeerde als mijn ‘cassatieprocureur’. Mr Van Oven  heeft dat ook in meerdere andere zaken naar mijn volle tevredenheid gedaan. Mr. Van Oven, die al weer jaren recht heeft op AOW, heeft intussen zijn toga aan de wilgen gehangen.

van Swaaij Cassatie & Consultancy

Ad 3. Hoger beroep: strekking en koerswijziging in appèl (NJ 2010, 418)

Iemand eiste betaling wegens verrekening van oppervlakteverschillen van percelen bouwgrond die hij verkocht had. De Arnhemse Rechtbank wees de eis af. In hoger beroep betrok verkoper andere stellingen. Het Arnhemse Hof oordeelde dat het standpunt van verkoper in appèl  geen aanvulling van stellingen uit de eerste aanleg vormde, maar neerkwam op een wijziging van stellingname die strijdig was met het standpunt in eerste aanleg. Het hof oordeelde voorts dat het terugkomen van de eerder ingenomen procespositie onder deze omstandigheden in strijd was met de eisen van een goede procesorde, en dat de verkoper enige verklaring had moeten geven voor zijn  koerswijziging. Het Hof bekrachtigde het afwijzende vonnis.

njSamen met en ten kantore van de advocaat die de zaak bij het Hof behandeld had – in eerste aanleg had de verkoper een andere advocaat – heb ik het dossier bestudeerd. Mijn bevinding was dat het Hof te streng geweest was. Ik heb cassatieberoep ingesteld. Het cassatiemiddel klaagde onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad dat het hoger beroep er mede toe strekt om de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft nagelaten. Voorts klaagde het over het oordeel van het hof dat de verkoper enige verklaring had dienen te geven voor zijn koerswijziging.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht gegrond was.  Daarmee kwam het cassatiecollege toe aan een door kopers ingesteld voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep. Tegen de incidentele klachten, die feitelijke oordelen van het Hof als onbegrijpelijk bestreden, had ik uitvoerig verweer gevoerd. De Hoge Raad oordeelde dat deze incidentele klachten ongegrond waren. Een link naar het arrest staat HIER.

Overigens zie je ook hier dat in het arrest (rov. 2) alleen geëxpliciteerd wordt dat ik de schriftelijke toelichting gegeven heb. Het cassatieberoep was namelijk ingesteld geruime tijd vóór 1 juli 2012, waarop de Wet versterking cassatieadvocatuur in werking is getreden. Verwezen zijn naar de laatste alinea bij ‘Ad 1’.

van Swaaij Cassatie & Consultancy

Ad 4. Omgangsondertoezichtstelling (NJ 2002, 5 m.nt. J. de Boer)

In dit geding had de Raad voor de Kinderbescherming aan de Kinderrechter het verzoek gedaan om de minderjarige R., geboren in 1997, onder toezicht te stellen voor de periode van een jaar met als doel het tot stand brengen van een omgangsregeling tussen de vader en R. De Raad voor de Kinderbescherming stelde dat de ouders niet bij machte waren om op vrijwillige basis een omgangsregeling tot stand te brengen.

Art. 1:254 lid 1 BW bepaalde toen net als nu dat indien een minderjarige “{…} zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen”, de kinderrechter de minderjarige onder toezicht kan stellen van (kort gezegd) een daarvoor geschikte stichting.

Nadat de Kinderrechter het verzoek toegewezen had, bekrachtigde het Hof die beschikking. Het Hof oordeelde daartoe in essentie dat in casu de kans aanwezig was dat het ontbreken of niet nakomen van een omgangsregeling voor R. nadelig of schadelijk zal zijn, onder meer omdat deze daardoor in een loyaliteitsconflict zou kunnen komen te verkeren.

njIk gaf een gematigd positief cassatieadvies aan de moeder, waarna ik voor haar cassatieberoep instelde. Mijn cassatiemiddel bevatte de klacht dat de enkele kans dat het ontbreken of niet nakomen van een omgangsregeling voor de minderjarige nadelig of schadelijk zal zijn, onder meer omdat deze daardoor in een loyaliteitsconflict zou kunnen komen te verkeren, geen toereikende motivering vormde voor de ’s Hofs bekrachtiging van de beschikking van de Kinderrechter.

Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp concludeerde dat het cassatiemiddel gegrond was. De  Hoge Raad oordeelde in essentie conform dit middel (LJN AB1073).

Dat intussen de moeder door de Hoge Raad niet-ontvankelijk in haar beroep verklaard werd, deed aan haar overwinning allerminst af. R. was namelijk bij beschikking van 2 februari voor de periode van een jaar onder toezicht gesteld. Toen de Hoge Raad besliste, was het inmiddels 13 april 2001. Uitsluitend om deze technisch-juridische reden had de moeder daarom geen belang bij vernietiging van ’s Hofs bekrachtigende beschikking. A-G Hartkamp had de Hoge Raad in zijn conclusie voorgesteld om het beroep om die reden te verwerpen, maar de Hoge Raad oordeelde (dus) inhoudelijk over het middel en kwam ‘slechts’ tot een niet-ontvankelijkverklaring. Anders zou het recht niet zijn loop gekregen hebben. Daarom kon de moeder er gerust van op aan dat er niet wederom een (bekrachtiging van een) omgangsondertoezichtstelling zou komen.

van Swaaij Cassatie & ConsultancyLinks

– Rolreglement en Reglement rekestzaken van de civiele kamer van de Hoge Raad der Nederlanden
– Griffierechten 2017
– Raad voor Rechtsbijstand