Biedt een gewoon hoger beroep (meestal bij een gerechtshof) met zijn integrale herstel- en herkansingsfunctie aan degene die het hoger beroep instelt de mogelijkheid van een geheel ‘nieuwe ronde’, het cassatieberoep doet dat niet voor degene die cassatieberoep instelt.

De Hoge Raad gaat uit van de feiten zoals de lagere rechter deze vastgesteld heeft. Of de lagere rechter de feiten juist vastgesteld heeft, toetst de Hoge Raad niet.

Zoals namelijk volgt uit artikel 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie, vernietigt de Hoge Raad de bestreden uitspraak van de lagere rechter alleen wegens schending van het recht (met uitzondering van het recht van vreemde staten) of een ontoereikende motivering respectievelijk een onbegrijpelijk oordeel over de feiten.

Deze beperkte cassatiegronden dienen te worden bezien in het licht van de drie taken van de Hoge Raad:

  1. het bevorderen van de ontwikkeling van het recht,
  2. het bewaken van de rechtseenheid (in Groningen moet op basis van dezelfde regels recht gesproken worden als in Maastricht). en
  3.  het bieden van rechtsbescherming resp. toezien op een behoorlijke rechtspleging (protectie tegen rechters die hun werk klaarblijkelijk niet naar behoren doen)

Bij de vervulling van de derde taak gaat de Hoge Raad niet zo ver om de feiten in de betreffende zaak opnieuw te onderzoeken of zelfstandig vast te stellen.

De Hoge Raad baseert zich op de feiten zoals deze vastgesteld zijn door de betreffende lagere rechter en beperkt zich wat betreft deze feitenvaststelling slechts tot een marginale controle (toetsing op begrijpelijkheid).