De structuur van de voordeelverrekening

wpnr.logo.2Art. 6:100 BW: hoe verhoudt “een zelfde gebeurtenis” zich tot “voor zover dit redelijk is”?

Tevens gepubliceerd in WPNR 6925 (2012), blz. 275-284.

De PDF-versie staat HIER.

1. Inleiding [1]

Het selectiecriterium voor deelname aan de redelijkheidtoets

Art. 6:100 BW luidt:

“Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht.”

Waar geen sprake is een zelfde gebeurtenis [2],wordt niet toegekomen aan voor zover dit redelijk is, en wordt daarmee evenmin toegekomen aan voordeelverrekening. Bij een zelfde gebeurtenis gaat het om een minimumeis. [3]Wie een ander aanspreekt tot vergoeding van schade en daarop geconfronteerd wordt met een ‘art. 6:100’-verweer, doet er daarom verstandig aan om te bezien of het betreffende (beweerdelijke) voordeel niet door een ándere gebeurtenis dan de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis (tekortkoming/onrechtmatige daad) opgeleverd is. Immers, als dit laatste het geval is, dan wordt het voordeel niet, ook niet gedeeltelijk, verrekend: de benadeelde mag ‘alles houden’. Daarom is van groot belang hoe een zelfde gebeurtenis uitgelegd moet worden.

Procederen in cassatie?
Dan met aantoonbaar ingenieuze, verrassende en meeslepende argumentatie

van Swaaij Cassatie & Consultancy

Het is minst genomen denkbaar dat deze eis uitsluitend inhoudt dat er condicio sine qua non-verband bestaat tussen het betreffende voordeel en de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis. Bij deze ‘csqn’-uitleg van een zelfde gebeurtenis wordt bijvoorbeeld (gewoon) bereikt dat als een automobilist vandaag blikschade lijdt door een fout van een medeweggebruiker en morgen bij de trekking van de loterij een prijs wint op een eergisteren door hem gekocht lot, een beroep op voordeelverrekening reeds afstuit op het niet voldoen aan deze eis. Ook in minder evidente gevallen vervult een zelfde gebeurtenis bij genoemde uitleg deze functie. Voorts zij bedacht dat de consequentie van deze ‘csqn’-uitleg niet is dat ieder voordeel dat in csqn-verband staat met de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis ‘dus’ geheel of gedeeltelijk verrekend zou moeten worden met de te vergoeden schade. Immers, slechts voor zover dit redelijk is, moet er verrekend worden.

Foto.1Intussen is ’s Hogen Raads jurisprudentie anders: met het bestaan van genoemd csqn-verband is nog niet zonder meer een zelfde gebeurtenis gegeven. Al weer bijna drie jaar geleden namelijk heeft het cassatiecollege [4] voor een zelfde gebeurtenis (impliciet) een additionele eis gesteld. Het gegeven dat in casu aan deze extra eis niet voldaan was, impliceerde volgens de Raad dat, ondanks dat genoemd csqn-verband bestond, geen sprake was van een zelfde gebeurtenis. Deze koers heeft nadelen, zoals hierna (§ 7) nog uiteengezet wordt. Deze nadelen wegen niet op tegen mogelijk vermeende voordelen.

Meer recent heeft de Hoge Raad beslist [5] dat het ontbreken van genoemd csqn-verband niet hoeft te betekenen dat geen sprake is een zelfde gebeurtenis (§ 11 infra); in casu werd expliciet beslist dat ondanks dit ontbreken het betreffende voordeel (gewoon) verrekend moest worden.

In het navolgende wordt uiteengezet dat correctie van de koers van de Hoge Raad wenselijk is. De eerste correctie die hier bepleit wordt, bestaat hierin, dat met csqn-verband tussen voordeel en aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis een zelfde gebeurtenis gegeven is. De voordelen van deze correctie zijn spiegelbeeldig aan de zo-even vermelde nadelen, zoals hierna (§ 10) geadstrueerd wordt.
De tweede, hier bepleite koerscorrectie houdt in dat, waar soms óndanks afwezigheid van genoemd csqn-verband aangenomen wordt dat sprake is van een zelfde gebeurtenis – voorlaatste alinea – gewoon expliciet een uitzondering aanvaard wordt op resp. voorbijgegaan wordt aan een zelfde gebeurtenis: het ontbreken van csqn-verband impliceert weliswaar dat geen sprake is van een zelfde gebeurtenis, maar bij wijze van uitzondering wordt het voordeel (toch) verrekend binnen het kader van art. 6:100.

Related Post

Noten

  1. Met hartelijke dank aan Ton Hartlief en Manon Pluymen voor zinvol commentaar in de conceptfase.
  2. [HR 29 september 2000, NJ 2001, 105 (Paulissen/de Staat), HR 11 februari 2000, NJ 2000, 275 (De Preter/Van Uitert), en HR 10 juli 2009, NJ 2011, 43 (Vos/TSN).]
  3. [Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 100.]
  4. [HR 10 juli 2010, NJ 2011, 43 (Vos/TSN). ]
  5. [HR 29 april 2011, RvdW 2011, 563 (Van der Heijden/Dexia).]