Tijdens zijn colleges Burgerlijk recht III gaf mijn latere promotor, prof. mr. C.J.H. Brunner (dus: C.J.H.B. resp. CJHB in de NJ), steevast aanwijzingen omtrent het gebruik van de Nederlandse taal. Met deze rubriek,Taallesjes voor juristen, is beoogd om de fakkel over te nemen.

Foto.Veur.Lent - - van Swaaij Cassastie & Consultancy - cassatieadvocaat - cassatie advocaat

Veur-Lent en in de verte de spoorbrug op 14 oktober jl. (foto SvS, iPhone X)

Noviomagus. Via Twitter stuitte ik deze week op een fraai, op 9 dezer op Parlement.com columns gepubliceerd stuk van J.Th.J. (Joop) van den Berg, emeritus hoogleraar ‘Het parlementaire stelsel: rechtsnormen en machtsverhoudingen’ aan de Universiteit Maastricht. Dat stuk heeft als opschrift: „Nuffige rechters”.

Van den Berg maakt gehakt van een aan de minister voor Rechtsbescherming op 18 juni jl. verzonden brief van Frits Bakker, voorzitter van de Raad voor de rechtspraak, Christa Wiertz-Wezenbeek, voorzitter van de Presidentenvergadering, en Roel Dona, voorzitter van de Nederlandse vereniging voor rechtspraak.

Koeterwaals en schabouwelijk proza

Van den Berg stelt onder meer de derde ‘volzin’ van de tweede alinea van die brief aan de kaak. De tweede volzin van die alinea houdt met zoveel woorden in dat de rechtspraak bijdraagt aan de instandhouding van de rechtsstaat en het vertrouwen van de burger in de derde staatsmacht, en dan volgt (dus) die derde ‘volzin’:

„Daarvoor is essentieel dat rechters blijvend vertrouwen en daarvoor aan hen toevertrouwde taken en ingrijpende bevoegdheden en de daarbij behorende grote rechterlijke verantwoordelijkheid, maken dat zij aan hoge eisen moeten voldoen.”

De geciteerde ‘volzin’ is volgens Van den Berg een „treurige anakoloet” en er is volgens hem „intellectueel geen wijs uit te worden.”  Van den Berg spreekt voorts van een „verdrietig makende zin”. Het gaat volgens Van den Berg om „koeterwaals” en „schabouwelijk proza”.
Van den Berg heeft volkomen gelijk.

Hoe is het mogelijk?

Van den Berg wijst erop dat het uitgerekend gaat om een brief van de Raad voor de rechtspraak, een zelfstandig bestuursorgaan dat belast is met de bedrijfsorganisatie van de rechtspraak in Nederland, om „vermoedelijk” de vergadering van rechtbankpresidenten, en om de belangenvereniging van rechters en ambtenaren bij het Openbaar Ministerie.

Niettemin is die brief (dus) ondertekend door de voorzitters ervan. Dat onderaan die brief daadwerkelijk hun handtekeningen staan, zie je HIER. Kennelijk hebben die voorzitters niet de moeite genomen om het concept – van een brief aan een voor rechters belangrijke vakminister – naar behoren te beoordelen.

Voornoemd stuk van Van den Berg is de moeite van het lezen alleszins waard. Een link ernaar staat HIER.

Het vorige taallesje

Een link naar de vorige aflevering in de serie Taallesjes voor juristen staat HIER.