Noviomagus. De Hoge Raad wees het arrest op 14 januari 1983, NJ 1983, 457. Het is een klassieker. De naam van dit arrest is namelijk Hajziani/Van Woerden.

foto.7.9.15

Afgelopen maandag (foto Johan van de Merwe, iPhone 6)

Voor het eerst bestudeerde ik dit arrest in mijn Groningse studententijd, namelijk in het kader van het mooie basisdoctoraalvak Burgerlijk recht II.
Gisteren bestudeerde ik het arrest wederom, ditmaal in het kader van een cassatiezaak waarover ik thans geen mededelingen doe, behoudens dat ik ervan geniet om bezig te zijn met en na te denken over fundamentele vragen als aan de orde in dit arrest. Het is smullen. Pro memorie zij hier nog even uit de klassieker geciteerd:

„Wanneer, zoals hier, een werkgever aan een buitenlandse werknemer een verklaring die tevens een afrekening bevat, ter tekening voorlegt met het doel aldus tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te geraken, dan is het, wil hij de werknemer aan een zodanige beëindiging kunnen houden, niet voldoende dat hij uit de bereidheid van de werknemer tot het plaatsen van zijn handtekening onder de afrekening in de gegeven omstandigheden niet heeft kunnen afleiden dat deze niet akkoord ging met   beëindiging. De werkgever zal er zich met redelijke zorgvuldigheid van moeten vergewissen, of de werknemer heeft begrepen dat zijn instemming met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt gevraagd.”