Noviomagus. In editie 44/45 van het NJB staat een Vooraf van Coen Drion over rechtsdwaling. Drion betoogt in essentie dat een succesvol beroep op rechtsdwaling niet categorisch op voorhand uitgesloten moet zijn. Ik lees er niet dat Drion bepleit dat in een casus – hij noemt deze ook niet – zoals die  geleid heeft tot  ’s Hogen Raads (door Drion genoemde) op 26 november 2004 gewezen arrest Bosman/mr. G. (NJ 2006/115) door een partij als Bosman met succes een tegen hem gedaan beroep op verjaring geneutraliseerd zou moeten kunnen worden. 

De casus Bosman/mr. G. (NJ 2006, 115)

Bosman heeft in de jaren tachtig met succes geprocedeerd tegen een bedrijfsvereniging die hem een uitkering weigerde. Hij werd bijgestaan door de advocaat mr. G. De bedrijfsvereniging keert alsnog uit, maar betaalt niet de wettelijke rente. Zij weigert dat om de reden dat deze rente haar niet zijdens Bosman jaarlijks aangezegd is (art. 1286 oud-BW). Bosman spreekt mr. G. te dezen aan tot vergoeding van schade. Of hier werkelijk sprake is van een beroepsfout – en er zijn minst genomen goede argumenten ten betoge dat dat niet het geval is – kan in het midden blijven. Waar het om gaat, is dat mr. G. een beroep doet op verjaring.

Foto.Achtertuin

Mijn achtertuin heden, Nijmegen-Oost (foto SvS, iPhone 6)

 

Nu heeft de Hoge Raad in het Saelman-arrest (NJ 2006, 115) geoordeeld:

“[…] dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in stellen.”

Wanneer nu was de juridische leek Bosman daadwerkelijk in staat om een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen tegen mr. G.?
Als Bosman niet wist dat mr. G. jaarlijks rente had moeten aanzeggen, dan is hij toch, zo zou je denken, niet daadwerkelijk in staat om die rechtsvordering tegen mr. G. in te stellen, en begint derhalve vooralsnog toch niet deze korte verjaringstermijn te lopen? Een paar jaar voorafgaand aan het Saelman-arrest was overigens al beslist dat het bij bekendheid met aansprakelijke persoon en de schade in de zin van art. 3:310 lid 1 BW gaat om subjectieve, daadwerkelijke bekendheid en niet om een ‘behoren bekend te zijn met’ (zie: HR 6 april 2001, NJ 2002, 383).

Juridisch dynamiet

foto.SvSBluesband.oefenruimte.dec.2014

De Sjef van Swaaij Proefschrift Bluesband in de oefenruimte eerder deze maand (selfie)

 

A-G Spier schreef al aan het begin van zijn lezenswaardige conclusie voor het arrest Bosman/mr. G. dat het hier om juridisch dynamiet ging. Ik citeer (alinea-nrs. weggelaten):

“Wanneer een cliënt constateert dat hij “zijn zaak” verloren heeft, betekent dat nog niet dat de advocaat hem verkeerd heeft behandeld en dat de afloop bij een betere behandeling anders zou zijn geweest. De vraag of de benadeelde bekend is met zijn schade en of er een aansprakelijke persoon is, zal in dergelijke situaties veelal louter afhangen van een juist juridisch inzicht. De doorsnee justitiabele heeft dat niet. Aldus kan het, uitgaande van de hiervoor bepleite benadering, inderdaad gebeuren dat een vordering verjaart voordat de benadeelde van haar bestaan wist. Ik wil best toegeven dat zulks niet aanstonds aantrekkelijk is.

Maar het alternatief is veel bedenkelijker. Ik stel hierbij voorop dat ons rechtsstelsel – en vermoedelijk ieder in onze ogen beschaafd rechtsstelsel – noodgedwongen uitgaat van de fictie dat ieder wordt geacht de wet te kennen. Laat men die fictie los, dan ontstaat chaos.

Ter voorkoming daarvan worden deelnemers aan het rechtsverkeer beoordeeld naar en afgerekend op allerlei rechtsregels waarvan zij in het geheel geen weet hebben. Zij kunnen op die grond aansprakelijk zijn, worden geconfronteerd met belastingaanslagen, partij zijn geworden bij overeenkomsten terwijl zij meenden “nog niets getekend te hebben”; aldus kunnen zij financieel te gronde worden gericht. Gedacht kan ook worden aan – in elk geval – overtredingen; men kan dergelijke strafbare feiten hebben begaan zonder het bestaan daarvan zelfs maar te vermoeden. Dat is de prijs die deelnemers van de samenleving moeten betalen ter voorkoming van chaos.

In dit verband verdient nog aantekening dat een beroep op rechtsdwaling wordt vrijwel nooit gehonoreerd. {…}

Waarom zou het nu zo (moeten) zijn dat een benadeelde ineens te hulp wordt geschoten wanneer hij het recht niet kende? Dat is op zich al niet goed in te zien.”

Wat beslist de Hoge Raad in Bosman/mr. G/?

De Hoge Raad oordeelt in rov. 3.4 (onderstreping toegevoegd):

“Inmiddels heeft de Hoge Raad in het arrest van 31 oktober 2003, nr. C02/234, RvdW 2003, 169 [Saelman-arrest, SvS], zijn eerdere rechtspraak met betrekking tot dit criterium aldus uitgewerkt dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen. Deze rechtspraak houdt echter niet in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn vereist is dat de benadeelde niet slechts daadwerkelijk bekend is met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon maar ook met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Het stellen van die eis zou niet in overeenstemming zijn met het voor een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer te aanvaarden uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard, en zou tot rechtsongelijkheid aanleiding geven waar juridische kennis niet in gelijke mate bij eenieder aanwezig is. Het zou ook in strijd met de rechtszekerheid zijn wanneer de aanvang van de verjaring afhankelijk zou zijn van het tijdstip waarop de benadeelde juridisch advies inwint. Ook de billijkheid, die naar in het laatstvermelde arrest is overwogen bij de korte verjaringstermijn naast de rechtszekerheid van betekenis is, staat aan het stellen van die eis in de weg. De benadeelde zou immers zonder hinder van deze verjaringstermijn kunnen profiteren van een eerst veel later bekend geworden inzicht met betrekking tot de juridische situatie ten tijde van het ontstaan van de schade, terwijl de aansprakelijke persoon zijn gedrag heeft gericht naar de toen geldende inzichten.”

Link

Een link naar het stuk van Drion staat HIER.