Noviomagus. In een op 13 dezer gedateerde en reeds op 17 dezer gepubliceerde conclusie (vanaf § 3.24) maakt advocaat-generaal bij de Hoge Raad Ruth de Bock onder het hoofdje „Aannemelijkheid versus bewezen zijn”  enkele opmerkingen waarop ik de bezoeker van deze blog graag attendeer. Gaat het bij het verschil tussen het aannemelijk geworden zijn van feiten en het bewezen zijn van feiten om de mate van zekerheid over het vaststaan van deze feiten? De Bock komt tot de bevinding dat deze vraag in ontkennende zin beantwoord moet worden. Zij besluit voornoemde opmerkingen namelijk als volgt: „Kenmerkend voor ‘aannemelijkheid’ is dus veeleer ‘sneller’, dan ‘minder zeker’.”

De opmerkingen van A-G De Bock

De Waalbrug bezien vanuit de Ooijpolder op 2 april jl. (foto SvS)

De Bock in voornoemde conclusie (lay-out iets anders en voetnoten weggelaten):

„3.24  Het vereiste dat een feit moet zijn bewezen en dat niet voldoende is dat het feit aannemelijk is, roept de vraag op wat precies het verschil hiertussen is. Bij de beantwoording van die vraag kan tot uitgangspunt worden genomen dat het bewezen zijn van een feit in ieder geval níet inhoudt dat daarover absolute zekerheid moet bestaan. Dan zou een feit immers vrijwel nooit kunnen worden bewezen. Ook geldt niet de strafrechtelijke maatstaf, dat de rechter de overtuiging moet hebben bekomen (art. 338 WvSv). Algemeen wordt aangenomen dat het voor de civiele rechter voldoende is om een redelijke mate van zekerheid te hebben dat het betreffende feit zich heeft voorgedaan. In lijn hiermee wordt in rechterlijke uitspraken vaak overwogen dat bepaalde feiten wel of niet ‘in voldoende mate zijn komen vast te staan’.

3.25  Het verschil tussen het aannemelijk zijn van een feit en het hebben van een redelijke of voldoende mate van zekerheid over een feit, lijkt te duiden op een verschil in de mate van zekerheid over het bestaan van dat feit. De rechter zou minder zekerheid – overtuiging, zoals het in de parlementaire geschiedenis is aangeduid – hebben over een ‘aannemelijk feit’ dan over een feit ‘dat in voldoende mate vaststaat’. Of er inderdaad sprake is van zo’n verschil in de mate van zekerheid, is echter niet zo duidelijk. We weten namelijk niet wat deze gradaties van zekerheid nu precies behelzen of waaraan zij zouden refereren. Het in meer of mindere mate vaststaan van een feit zegt in het civiele recht in ieder geval niet iets over de kans dat het feit zich heeft voorgedaan. Er bestaan ook geen ‘zekerheidsmeters’ die de rechter houvast zouden kunnen geven bij de beoordeling van de vraag of een feit aannemelijk is dan wel in voldoende mate vaststaat. Daarbij komt dat art. 152 Rv de waardering van het bewijs in beginsel aan het oordeel van de rechter overlaat, zonder nadere kaders te geven over de wijze waarop die waardering moet plaatsvinden of minimumeisen te stellen die hierbij in acht zouden moeten worden genomen. Er zijn dan ook geen ‘criteria’ waaraan kan worden getoetst bij de beantwoording van de vraag of een feit in civielrechtelijke zin bewezen is, dan wel dat over dat feit in voldoende mate zekerheid bestaat. Al met al is een bewijsoordeel in de civiele procedure vooral een kwestie van het afwegen van de (al dan niet onderbouwde) argumenten die vóór of tégen een bepaald feit zijn aangevoerd. Dat betekent dat zowel het oordeel dat een feit aannemelijk is, als het oordeel dat een feit in voldoende mate vaststaat, uiteindelijk berust op de rechterlijke waardering en afweging van de argumenten die in het processuele debat door partijen over en weer zijn aangevoerd.

3.26  Het oordeel dat een feit aannemelijk is, moet tegen deze achtergrond worden begrepen. Zo’n oordeel zal namelijk worden gegeven in situaties waarin de rechter uitspraak doet op de door partijen aangereikte informatie (zoals naar voren komend uit de processtukken, de bijgevoegde bewijsmiddelen en de mondelinge behandeling), en geen nadere bewijslevering toestaat. Het horen van getuigen, het inschakelen van een deskundige of het in het geding brengen van nadere schriftelijke stukken is dan niet aan de orde. Dit doet zich voor in kort geding procedures en, zoals hiervoor is besproken, in ontbindingsprocedures onder het oude arbeidsrecht (zie onder 3.6). Vanuit de gedachte dat in deze procedures zo spoedig mogelijk moeten worden beslist, wordt aangenomen dat zij zich niet lenen voor (nadere) bewijslevering. Hiermee kan het ‘aannemelijk zijn’ van feiten beter worden begrepen als uitdrukking gevend aan het ontbreken van de mogelijkheid voor partijen om nader bewijs te leveren over gestelde feiten – met name geen tijdrovende getuigenverhoren –, dan dat daarmee een geringere mate van zekerheid over het bestaan van die feiten wordt bedoeld. Vergelijk in deze zin ook Asser:

“In dit verband wijst het gebruik van de term ‘aannemelijk maken’ op een sneller vaststellen van feiten dan in geval bewijs moet worden geleverd van die feiten.”

Kenmerkend voor ‘aannemelijkheid’ is dus veeleer ‘sneller’, dan ‘minder zeker’.”

Link

De tekst van de conclusie lees je HIER.