2C33E095-575D-46B1-8BC5-26A88662EF8F - - van Swaaij Cassastie & Consultancy - cassatieadvocaat - cassatie advocaat

Tussen Nijmegen en Beek, op zaterdag 14 dezer (foto SvS, iPhone 11 Pro Max)

Noviomagus. Afgelopen vrijdag was het door mij in cassatie succesvol gevoerde verweer in een door de gemeente Nijmegen ingesteld cassatieberoep in een executiekortgeding – het blogbericht hierover lees je HIER – niet mijn enige cassatiesucces van vorige week. De Hoge Raad verwierp afgelopen vrijdag namelijk ook nog een ander ingesteld cassatieberoep waarin ik verweer voerde.

Casus

Dit andere cassatieberoep was ingesteld in een insolventiezaak. Mevrouw X, een oud-burgemeester, stelde bij de Rechtbank Midden-Nederland een eis in tegen (kort gezegd) een bureau dat een integriteitsonderzoek verricht had in opdracht van de gemeenteraad van de gemeente waarvan mevrouw X destijds burgemeester was. De conclusie van het onderzoeksrapport van het bureau was dat onder meer sprake was van belangenverstrengeling en machtsmisbruik. Voornoemde eis strekte – kort gezegd – tot een veroordeling van het bureau:

  1. tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade door onrechtmatige gedragingen van het bureau (hierna: de schadevergoedingsvordering); en
  2. tot rectificeren van op de website van het bureau geplaatste berichten over mevrouw X (hierna: de rectificatievordering).

Mevrouw X failleerde tijdens het geding in eerste aanleg. Daarna nam de curator in haar faillissement de procedure in de zin van art. 27 Fw over. Dit overnemen beperkte zich niet tot de schadevergoedingsvordering: de curator nam het geding ook over voor zover het de rectificatievordering betrof.

De curator stelde geen hoger beroep in tegen het vonnis. Mevrouw X deed dat wèl. Bij zijn arrest verklaarde het Hof mevrouw X niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Dit om de reden dat mevrouw X naar het oordeel van het Hof geen procespartij meer was. Het Hof verwierp het standpunt van mevrouw X dat de rectificatievordering een hoogstpersoonlijke vordering betrof die niet tot de faillissementsboedel behoort en dat daarom de betreffende rechtsvordering niet door de curator overgenomen had kon worden.

Conclusie Procureur-Generaal en de crux van mijn borgersbrief

De conclusie van A-G Rank-Berenschot strekte tot vernietiging van ’s Hofs arrest. In mijn borgersbrief – met dank aan kantoorgenoot Joost Moorman – schreef ik dat het bureau best wilde onderkennen dat het interessant zou kunnen zijn om de vraag te beantwoorden of een curator op de voet van art. 27 Fw een rectificatievordering kan ovememen, maar dat deze vraag in casu helemaal niet beantwoord hoefde te worden. Hiertoe benadrukte ik (1) dat „de crux”  is dat mevrouw X de curator het gehele geding (inclusief rectificatievordering) heeft laten overnemen, en (2) dat indien zij gemeend zou hebben dat de curator het geding niet inclusief de rectificatievordering kon overnemen, zij – kort gezegd – een rechtsmiddel had kunnen aanwenden om de overname van die rectificatievordering door de curator te voorkómen.

Hoge Raad

In zijn afgelopen vrijdag gewezen arrest oordeelde de Hoge Raad als volgt. Weliswaar is de door mevrouw X ingestelde rectificatievordering niet te beschouwen als een rechtsvordering in de zin van art. 27 Fw, zodat de curator niet bevoegd was deze rechtsvordering over te nemen (rovv. 3.2.1 t/m 3.2.4), maar dit brengt niet mee dat ’s Hofs arrest vernietigd moet worden. De curator heeft, hoewel daartoe niet bevoegd, namelijk wèl de gehele procedure in eerste aanleg, met inbegrip van de rectificatievordering, overgenomen. Aansluitend oordeelde de Hoge Raad:

„3.3.3   {…} Tegen de overneming van het geding door de curator als zodanig stelt de Faillissementswet geen rechtsmiddel open. Wel kan de gefailleerde in voorkomend geval opkomen tegen een beslissing van de rechter dienaangaande. In het onderhavige geval ligt een zodanige beslissing besloten in de aantekening in het roljournaal dat de curator het geding overneemt (zie hiervoor in 2.3.2). Door deze aantekening in het roljournaal heeft de rechtbank kenbaar gemaakt dat zij de overneming van het gehele geding – nu die overneming noch door de curator noch door de rechtbank is geclausuleerd of ingeperkt – als een rechtsfeit heeft geaccepteerd en dat zij daaraan het processuele gevolg zal verbinden dat de gefailleerde wordt aangemerkt als buiten het geding gesteld en dat alleen de curator nog als procespartij in de procedure kan optreden.

Dit oordeel is een beslissing die ingrijpt in de rechten en belangen van de gefailleerde, nu deze buiten het geding is gesteld. Dit oordeel moet ten opzichte van de gefailleerde dan ook worden aangemerkt als een einduitspraak, waartegen hij buiten bezwaar van de boedel een rechtsmiddel kan aanwenden, en wel binnen de beroepstermijn die geldt in de zaak waarin hij buiten het geding is gesteld.

3.3.4   Nu [eiseres] in rechte werd vertegenwoordigd door een advocaat, die geacht wordt de rechtsgevolgen van overneming van het geding door de curator te kennen, was – gelet op de hiervoor in 3.3.2 weergegeven vaststellingen van het hof – voor haar kenbaar dat zij volgens de rechtbank buiten het geding was gesteld. Op zichzelf had zij daartegen met succes kunnen opkomen voor zover het de rectificatievordering betreft (zie hiervoor in 3.2.1-3.2.4). Vast staat echter dat [eiseres] niet (tijdig) een rechtsmiddel heeft aangewend tegen de daarop betrekking hebbende en uit de aantekening in het roljournaal blijkende beslissing van de rechtbank. Daarmee heeft die beslissing kracht van gewijsde gekregen, hetgeen meebrengt dat de rechtbank – zoals zij ook heeft gedaan – in haar eindvonnis alleen de curator als procespartij moest aanmerken.

Het hof heeft dan ook (in rov. 3.7) terecht geoordeeld dat [eiseres] buiten het geding is komen te staan en geen procespartij meer is, zodat zij niet bevoegd was om hoger beroep in te stellen tegen het op naam van de curator gewezen eindvonnis. De beslissing van het hof dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, wordt door die juiste oordelen zelfstandig gedragen.”

Ten slotte

Het is mooi om te zien dat de in mijn borgersbrief genoemde crux blijkens ’s Hogen Raads zojuist geciteerde rechtsoverwegingen beslissend is geweest voor de verwerping van het cassatieberoep.

Een link naar ’s Hogen Raads arrest staat HIER.

 

Sinds 1 juli 2024 is Joost Moorman niet meer werkzaam bij VSCC.