Zicht op de Groesbeekseweg heden vanuit kantoor (foto SvS, iPhone 14 Pro Max)


Noviomagus
. De eeuwigdurende afspraak staat centraal in het door Coen Drion geschreven Vooraf van de NJB-editie van komend weekend. Is deze afspraak rechtsgeldig, niettegenstaande dat alles nu eenmaal steeds verandert en dat dit kan vragen om flexibiliteit?

Niet wat betreft het Franse rechtssysteem (art. 1210 Code civil: Les engagements perpétuels sont prohibés. Chaque contractant peut y mettre fin dans les conditions prévues pour le contrat à durée indéterminée.”). Daarentegen oordelen Supreme Courts van diverse staten in de Verenigde Staten dat een perpetual agreement weliswaar ‘disfavorable’ is, maar dat een expliciete keuze voor de eeuwige duur gerespecteerd moet worden.

Wat betreft het Nederlandse recht wijst Drion op een principieel arrest van het Haagse Hof over een in 1741 gevestigde „altoosdurende en onaflosbare” erfpacht op een perceel waarbij sprake was van een vaste canon van fl. 200 per jaar.  Kort gezegd wilde de eigenaar/erfverpachter aanpassing van de canon of de erfpacht op grond van de redelijkheid en billijkheid kunnen opzeggen en ving hij bot bij de Rotterdamse Rechtbank. Het Hof besliste:

„5. Het hof is mét de rechtbank van oordeel dat het erfpachtsrecht niet kan worden beëindigd. Altoos durend is, zo is het hof met [appellant 2] c.s. eens, inderdaad “voor altijd”, maar het hof vermag niet in te zien, dat “altijd” zou zijn gelijk te stellen met “voor zo lang als ik leef en afhankelijk zou zijn van de duur van het leven van de contractant. De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk voor al -tijd, en bevat daarnaast de bepaling dat de erfpacht onaflosbaar is, dat wil zeggen dat zij niet kan worden beëindigd. In zoverre is in de overeenkomst een bijzondere bepaling gemaakt over het (niet kunnen) eindigen van het erfpachtsrecht. Anders dan appellanten willen, brengen de redelijkheid en billijkheid niet mee, dat het in 1741 door de erfpachters verkregen recht moet worden gewijzigd in een minder recht omdat het vastgelegde recht, beoordeeld naar de economische verhoudingen van nu, mogelijk niet zal zijn bedoeld. Het vastgelegde recht kan dan ook niet met inroeping van het volgens het terecht door de rechtbank toepasselijk geachte art. 766 (oud) BW worden opgezegd door de eigenaar. Op goede gronden, die het hof onderschrijft, heeft de rechtbank geoordeeld dat van dit op 1 januari 1992 reeds bestaande recht ook geen opheffing op grond van art. 5:97 lid 1 BW mogelijk is.

6. Ook overigens komt [appellant 2] c.s. geen beroep op art. 5:97 lid 1 BW toe. Ingevolge art. 169 Ow NBW mag de rechter in geval van een vordering tot wijziging zoals hier geen rekening houden met omstandigheden die zich vóór 1 januari1992 hebben voorgedaan. [appellant 2] c.s. vergelijkt de situatie van 1741 met die van de huidige tijd. Over sedert 1 januari 1992 gewijzigde omstandigheden die tot wijziging nopen, rept zij echter niet. Het hof onderschrijft ook hier de ampele overwegingen van de rechtbank die tot het oordeel hebben geleid dat de vorderingen over de gehele linie moeten worden afgewezen.”

HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9323 behelst een ongemotiveerde verwerping van het principieel ingestoken cassatieberoep tegen ’s Hofs arrest (art. 81 RO). 

Volgens Drion laat HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660 (Noord-Holland c.s./Amsterdam) wèl zien „hoe de Hoge Raad denkt over eeuwigdurende contracten”. In dit arrest oordeelde het cassatiecollege:

„{…} dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar kan zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op, kort gezegd, de art. 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW. Voorts verdient opmerking dat op degene die betoogt dat een zodanige overeenkomst niet opzegbaar is, de stelplicht en bewijslast ter zake rusten. Zoals onderdeel 1.1 terecht betoogt, gelden voor die stelplicht en bewijslast geen verzwaarde eisen. Indien het hof van een andere maatstaf is uitgegaan bij zijn overweging dat aan de uitleg die de Provincie c.s. voorstaan ‘hoge eisen moeten worden gesteld’, berust zijn oordeel op een onjuiste rechtsopvatting.”

Of een voor onbepaalde tijd gesloten contract dat naar de bedoeling van partijen niet opzegbaar is zonder meer gelijkgesteld kan worden aan een eeuwigdurend (‘altoos durend’) contract, zoals Drion klaarblijkelijk meent, kan hier buiten bespreking blijven.

Lezing van het Vooraf zij van harte aanbevolen. Een link staat HIER.