HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21 (Willemsen/NOM) is een belangrijk arrest voor wie in civiele zaken procedeert in appèl. Strikt genomen is het Willemsen c.s./NOM, maar Willemsen c.s. duid ik in mannelijk enkelvoud aan als Willemsen. Na dit arrest is een misvatting ontstaan omtrent de eisvermeerdering. Hierbij gaat het om de vraag of een eisvermeerdering een grief is.

Ook NJ-noten moeten kritisch gelezen worden

In een in december 2013 gepubliceerd artikel (VINDPLAATS) met als opschrift Elementair appèlprocesrecht voor gevorderden heb ik uiteengezet dat er aangaande de beantwoording van voornoemde vraag een dwaalspoor uitgezet is, niet door de Hoge Raad, doch in de literatuur van na het arrest Willemsen/NOM, en dat velen – bepaald niet de eersten de besten – daardoor op het verkeerde been gezet zijn. Tevens heb ik uitgelegd hoe het dan wèl zit. Ik hoop dat de ontstane misvatting daardoor (snel) uit de wereld is.
Hetgeen hierna volgt is een gecomprimeerde versie van een deel van dit artikel.

foto.st.stevenskerk

Toren van de St. Stevenskerk, Noviomagus (foto SvS, iPhone 5s)

 

Eisvermeerdering

Art. 111 lid 2, aanhef en letter d, Rv bepaalt dat het exploot van dagvaarding vermeldt de eis en de gronden daarvan. Het genus eiswijziging heeft drie species: eisvermindering (art. 129 Rv), eisverandering (art. 130 Rv) en eisvermeerdering (art. 130 Rv). Zolang de rechter nog geen eindvonnis gewezen heeft, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen, zo bepaalt art. 130 (1e zin) Rv woordelijk.

Genus met twee species: zuivere eisvermeerdering en grondslagvermeerdering

Eisvermeerdering is een genus met twee species: zuivere eisvermeerdering en gronden-/grondslagvermeerdering. De zuivere eisvermeerdering vermeerdert de eis zelve. Art. 24 Rv bepaalt dat de rechter de zaak onderzoekt en bepaalt op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Wat eis is in art. 130 Rv, is vordering in art. 24 Rv. Terminologisch minder strak is dat in art. 24 Rv niet (net als in artt. 111 en 130 Rv) van “eis” gesproken wordt. In de context van het procesrecht verdient de term “eis” de voorkeur, reeds omdat het in menig fundamentum petendi gaat om een vordering (in de zin van subjectief recht) die eiser stelt te hebben op gedaagde en die volgens gedaagde bijvoorbeeld niet opeisbaar is (vgl. art. 6:52 en 6:80 BW).

De eis (resp. vordering in de zin van art. 24 Rv) drukt uit wat eiser van de rechter verlangt, bijvoorbeeld: veroordeel gedaagde om aan eiser te betalen een bedrag van € 1 ton. Na een zuivere eisvermeerdering kan dit bedrag verhoogd zijn naar € 2 ton.
De in art. 130 vermelde gronden vormen in de zin van art. 24 Rv hetgeen ten gronde gelegd is aan de vordering. Dit pleegt te staan in het fundamentum petendi van de dagvaarding. Strekt de eis aanvankelijk tot betaling van een bedrag van € 25.000, terwijl uit ‘hetgeen’ (art. 24 Rv) volgt dat ook een veroordeling mogelijk is tot betaling van € 50.000, dan hoeft een zuivere eisvermeerdering waarbij het geëiste bedrag verhoogd wordt naar € 50.000 niet met een grondslagvermeerdering gepaard te gaan.
Ook in hoger beroep mag tot eisvermeerdering overgegaan worden (art. 353 Rv).

Het arrest Willemsen/NOM

NOM heeft een bij het vonnis a quo afgewezen eis tot schadevergoeding ingesteld tegen Willemsen. In hoger beroep poneert NOM voor het eerst bij pleidooi de stelling dat zij, behalve als aandeelhoudster, ook als financier schade geleden heeft. Het Hof ziet die nieuwe stelling als een tardieve grief (omdat grieven nu eenmaal moeten staan in de conclusie van eis, die in de praktijk vrijwel steeds memorie van grieven wordt genoemd). Niettemin wordt het vonnis om een hier niet relevante reden vernietigd, waarna Willemsen cassatieberoep instelt. NOM stelt incidenteel cassatieberoep in en voert aan dat hier sprake is van een grondslagvermeerdering en aldus eisvermeerdering bij pleidooi. Weliswaar heeft Willemsen op de voet van art. 130 (2e zin) Rv bezwaar gemaakt op grond dat de vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde, maar, zo klaagt NOM, het Hof heeft niet vastgesteld dat haar eisvermeerdering met die procesorde-eisen strijdig is. Bovendien impliceert NOM met dat middel dat haar grief weliswaar volgens de huidige griefsomschrijving van de Hoge Raad een grief is (omdat NOM een grond aanvoert – nl. haar nieuwe stelling – ten betoge dat de uitspraak in eerste aanleg vernietigd moet worden), maar dat dit geen grief is die inhoudt dat de rechter in eerste aanleg een fout gemaakt heeft – immers: met die voor het eerst in appèl geponeerde nieuwe stelling kon de rechter in eerste aanleg nu eenmaal geen rekening houden – en dat daarom in casu geen sprake is van een ‘echte’ resp. klassieke grief; die nieuwe stelling is ‘alleen maar’ een grief in ’s Hogen Raads huidige griefsomschrijving (dus: grond ten betoge dat de uitspraak in eerste aanleg vernietigd moet worden). De Hoge Raad verwerpt deze rechtsklacht. Dit staat op gespannen voet met de tekst van artt. 130 en 353 Rv, welke tekst er toch echt op neerkomt dat (binnen de grenzen van een goede procesorde) een vermeerdering van eis mogelijk is totdat het eindvonnis resp. eindarrest gewezen is. Interessante beschouwingen daarover staan in de door H.J. Snijders geschreven NJ-noot (daarin ook jurisprudentie en literatuur) onder Willemsen/NOM.

van Swaaij Cassatie & Consultancy

Het dwaalspoor

In dezelfde NJ-noot staat de bewering dat de Hoge Raad de grondslagvermeerdering van NOM als grief gekwalificeerd en (volgens de annotator huiselijk gezegd) tot grief gebombardeerd heeft, om deze daarna, op welhaast syllogistische wijze – grieven mogen immers in beginsel niet na de (incidentele) memorie van grieven – als tardief te kwalificeren. Hoe gezaghebbend een NJ-annotator ook kan zijn, iedereen kan zich vergissen. Welnu, in cassatiejargon mist die bewering feitelijke grondslag. In het arrest Willemsen/NOM is geoordeeld (witregels weggelaten):

4.2.1 Bij de beoordeling van het middel dient tot uitgangspunt dat naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad als grieven dienen te worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd (HR 3 februari 2006, nr. C 04/274, NJ 2006, 120).

4.2.2 De door de Hoge Raad als juist aanvaarde ruime uitleg van het begrip grief hangt samen met de bepaling van art. 347 lid 1 Rv., dat in hoger beroep slechts een conclusie van eis en een conclusie van antwoord worden genomen, welke regel beoogt het debat in hoger beroep te beperken. Deze regel brengt mee dat de geïntimeerde bij het inrichten van zijn verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door de conclusie van eis is vastgelegd en geen rekening ermee hoeft te houden dat zijn verweer tot nieuwe grieven aanleiding kan geven. Daaruit volgt dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan de conclusie van eis, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) de conclusie van antwoord worden aangevoerd.

4.2.3 Dit stelsel hangt samen met het feit dat het debat in hoger beroep voortbouwt op hetgeen in eerste aanleg is geschied en in zoverre ten opzichte van de eerste aanleg als voortgezette instantie heeft te gelden. In het belang van de concentratie van het debat en van een spoedige afdoening van het geschil, mag in dit licht van appellant in beginsel worden verlangd dat hij in zijn conclusie van eis (memorie van grieven) aanstonds niet alleen al zijn bezwaren tegen de beslissingen van de lagere rechter aanvoert, maar ook de nieuwe feiten of stellingen naar voren brengt waarop hij zich in appel mede wenst te beroepen.

4.2.4.  Het vorenstaande betekent mede dat de in art. 347 lid 1 Rv. besloten twee-conclusie-regel ook de – ingevolge art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv. – aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis, in hoger beroep beperkt in die zin dat hij in beginsel zijn eis slechts kan veranderen of vermeerderen niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijk eiser is gesteld.”

Is de eisvermeerdering van NOM tardief als grief?

Weliswaar vormt de nieuwe stelling van NOM een grond ten betoge dat het afwijzende vonnis a quo vernietigd moet worden, zodat die stelling een grief is. Maar strandt de rechtsklacht van NOM ook hierop, dat die stelling een grief is? Of stuit deze klacht af op het gegeven dat die stelling als zodanig nu eenmaal een eisvermeerdering is en in deze hoedanigheid (eisvermeerdering!) tardief is?

Of is de eisvermeerdering van NOM tardief in haar hoedanigheid van eisvermeerdering?

Des Pudels kern is dat de Hoge Raad een nieuwe regel gevonden heeft en dat deze inhoudt dat art. 347 lid 1 Rv in beginsel de bevoegdheid tot eisvermeerdering als zodanig temporeel beperkt. Het zijn al meteen de eerste vier woordjes van rov. 4.2.4 (hierna: ‘4.2.4’): het voorgaande betekent mede. Daarom heeft de Hoge Raad ook geen enkele reden om die nieuwe stelling van NOM tot grief te bombarderen, om haar vervolgens als grief aan te merken. Dat zou ook onhandig zijn, want die stelling is onmiskenbaar al een grief volgens ’s Hogen Raads griefsomschrijving, die er onmiskenbaar ook al was vóór het wijzen van Willemsen/NOM. Iets wat al een grief is, hoef je niet nogmaals, langs andere weg, als grief te kwaflificeren, om het vervolgens als grief te passeren. Dat zou hetzelfde zijn als het opnieuw inhuldigen van de Koning, zonder dat je de kwalificaties van het koningschap aanpast. Die nieuwe stelling van NOM is derhalve in haar hoedanigheid van eisvermeerdering in beginsel tardief.

Tekstanalyse ’4.2.4’

Bovendien is de formulering van de nieuw gevonden, in ‘4.2.4’ gepresenteerde regel niet aldus geclausuleerd, dat hij slechts gelden zou voor een eisvermeerdering door appellant. Weliswaar gaat het bij vorenstaande (dus: tweede woordje van ‘4.2.4’) om rovv. 4.2.1 t/m 4.2.3 en vormen deze de opmaat, terwijl het daarin duidelijk om een appellant gaat. Maar, zoals gezegd, het is de opmaat. Deze culmineert in de formulering van de nieuw gevonden regel in ‘4.2.4’. De eerste vier woordjes (dus: het voorgaande betekent mede) van ‘4.2.4’ maken al meteen duidelijk dat het bij wat volgt wel eens niet uitsluitend zou hoeven te gaan om een appellant. Bovendien is de ‘afgekondigde’ regel abstract geformuleerd. Hij is niet louter toegesneden op een grondslagvermeerdering die beoogd wordt door een appellant (NOM) wiens (wier) eis in eerste aanleg afgewezen is en die op basis van deze grondslagvermeerdering wil betogen dat het vonnis a quo vernietigd moet worden.

Geïntimeerde-oorspronkelijk eiser die niet grieft:  ‘4.2.4’ geldt ook voor hem  

In ‘4.2.4’ wordt gesproken in de eerste zin over een memorie van antwoord (en niet slechts over een memorie van grieven) en in de tweede zin over oorspronkelijk eiser (en niet slechts over appellant). De regel is aldus tevens toegesneden op een grondslagvermeerdering die beoogd wordt door een geïntimeerde wiens eis in eerste aanleg toegewezen is en die op basis van deze vermeerdering betogen wil dat het vonnis a quo bekrachtigd moet worden. Miskent de appèlrechter dit, dan volgt cassatie. In de casus die leidt tot HR 14 juni 2013, NJ 2013, 341 (Auping/Beverslaap) wijst de Voorzieningenrechter toe de eis van Beverslaap dat Auping veroordeeld wordt om haar, Beverslaap, een nieuwe distributieovereenkomst aan te bieden, appelleert Auping en poneert Beverslaap – die (dus) anders dan NOM wél in eerste aanleg haar eis toegewezen kreeg – bij pleidooi een nieuwe stelling die neerkomt op grondslagvermeerdering (dus: met als doel om het vonnis a quo overeind te houden). Het Hof, dat de grondslagvermeerdering fiatteerde, had gewoon in ‘4.2.4’ kunnen lezen dat zulks in beginsel niet mocht. Dit nu is ongetwijfeld de reden geweest waarom de Hoge Raad, vast na doorredeneerwerk, het in ’4.2.4’ zo opgeschreven heeft. En uitleg van arresten wordt begrensd door en vooral begint bij, in de terminologie als gebezigd in HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM/Fox) de taal­kundige be­te­ke­nis die de be­woor­ding­en hebben (gelezen in de con­text van dat ge­schrift als geheel etc.). Reeds in de contractuele sfeer is die betekenis in praktisch opzicht vaak van groot be­lang, want voor de beantwoording van de vraag wat partijen bedoelden zijn de bewoordingen niet zelden het enige referentiekader. Bij uitleg van arresten is die betekenis onmiskenbaar nog veel groter, reeds in het licht van ’s Hogen Raads raadkamergeheim (art. 7 lid 3 Wet RO), hetwelk door de Haviltexmaatstaf niet overruled kan worden: dan dwaal je gewoonweg af. De bedoeling van de Hoge Raad moet gevonden worden in de taalkundige betekenis die de bewoordingen van het betreffende arrest hebben (gelezen in de context van het arrest als geheel etc.).

van Swaaij Cassatie & Consultancy

Dwaalspoor gewist

In voornoemde noot onder Willemsen/NOM staat woordelijk dat de Hoge Raad aan de taalkundige grenzen van de term grief andermaal geweld gedaan zou hebben, maar de op zichzelf nuttige analyses van de annotator aangaande de voor- en nadelen van ’s Hogen Raads huidige griefsomschrijving vertroebelen zijn blik op ‘4.2.4’. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heeft de Hoge Raad ten tijde van het wijzen van Willemsen/NOM onderkend dat ‘4.2.4’ impliceert dat aan de nieuw gevonden regel van appèlprocesrecht een ruime actieradius toegekend wordt: de (oorspronkelijk) eiser die bij gelegenheid van pleidooi overgaat tot eisvermeerdering, ongeacht of deze eiser als appellant betoogt dat het vonnis a quo vernietigd moet worden (NOM), dan wel als geïntimeerde betoogt dat het bekrachtigd dient te worden (Beverslaap).

Voorbeeld van eisvermeerdering die geen grief is

Behalve het hiervóór vermelde geval dat oorspronkelijk eiser als geïntimeerde een nieuwe grondslag aanvoert – grondslagvermeerdering – en daarmee (kort gezegd) tracht om de toewijzing in eerste aanleg van zijn eis stand te laten houden in appèl, is te denken aan de volgende casus.

foto.Kantoorfiets

Foto SvS (iPhone 5s)

Het petitum van de dagvaarding strekt tot een veroordeling van gedaagde om aan eiser een bedrag van € 1 ton te betalen. Het fundamentum petendi houdt in dat gedaagde wanprestatie jegens eiser gepleegd heeft, dat deze hierdoor zaakschade geleden heeft en dat de omvang hiervan overeenkomt met genoemd bedrag. Verweer wordt gevoerd en vonnis wordt gewezen.

Eiser appelleert, want hij wil méér – additionele veroordeling. Bij het vonnis wordt de eis toegewezen geheel conform het petitum. Vervolgens bemerkt eiser binnen de appèltermijn dat de wanprestatie tevens tot een andere schadepost geleid heeft (gederfde winst/andere beschadigde zaak) of dat hij verzuimd heeft om wettelijke rente te eisen, dan wel dat de omvang van de zaakschade niet € 1 ton, maar € 2 ton is. Eiser wil het betreffende, in deze aanleg niet geëiste bedrag in hoger beroep ‘binnenhalen’. Als oorspronkelijk eiser in hoger beroep gaat en hier, in appèl, louter zijn eis vermeerdert om dit in eerste aanleg niet geëiste bedrag ‘binnen te halen’, voert hij daarmee geen grond aan ten betoge dat het vonnis a quo vernietigd zou moeten worden, en grieft hij (dus) niet. Dat een ‘grievenvrij’ hoger beroep mogelijk is als appellant louter zijn eis vermeerdert, is al beslist in HR 19 januari 1979, NJ 1980, 124.

Geïntimeerde stelt incidenteel appèl in, want wil méér – additionele veroordeling. HR 19 juni 2009, NJ 2010, 154 (Wertenbroekarrest) betreft een geval waarin (kort gezegd)  in eerste aanleg de eis toegewezen is, gedaagde appelleert en waarin geïntimeerde, oorspronkelijk eiser, na het wijzen van een tweede tussenarrest en daaropvolgende deskundigenberichten alsnog en bovendien ‘grievenvrij’ appelleert met het oog op een eisvermeerdering die ertoe strekt dat het oorspronkelijke bedrag dat in hoofdsom geëist is naar boven bijgesteld wordt. In beginsel is deze eisvermeerdering tardief (‘4.2.4’), maar bij dit arrest (NJ 2010, 154) staat de Hoge Raad deze eisvermeerdering toe om de reden dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze eisvermeerdering nu is geen grief, want behelst (immers) geen grond ten betoge dat het in eerste aanleg gewezen vonnis vernietigd zou moeten worden: oorspronkelijk eiser, thans geïntimeerde in het principaal appèl, wil op basis van nieuwe feiten, die in eerste aanleg niet gesteld waren, alleen maar méér, en als appellant in zijn incidenteel appèl mag hij overgaan tot eisvermeerdering.

van Swaaij Cassatie & Consultancy

Is het thans nog relevant of een eisvermeerdering een grief is?

Vóór het arrest Willemsen/NOM werkten we met de regel dat grieven in de conclusie van eis resp. memorie van grieven moeten staan. Als een eisvermeerdering neerkwam op een grond ten betoge dat de uitspraak in eerste aanleg vernietigd moet worden, kon de partij wier eisvermeerdering het betrof aanvoeren dat volgens de (tekst der) wet eisvermeerdering in appèl mogelijk is totdat (eind)uitspraak gedaan is, en moest de wederpartij het hebben van de grenzen van de goede procesorde.

Voornoemde nieuwe regel dat art. 347 lid 1 Rv in beginsel de bevoegdheid tot eisvermeerdering als zodanig temporeel beperkt, impliceert dat de vraag of een eisvermeerdering al dan niet een grief is in praktisch opzicht niet relevant meer is, althans minder relevant is. Hij impliceert immers dat een eisvermeerdering waartoe een partij die reeds haar in art. 347 lid 1 Rv bedoelde conclusie genomen heeft tracht over te gaan in beginsel niet mogelijk is: sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden die impliceren dat de eisvermeerdering wèl mogelijk is. Om zulke omstandigheden ging het in de zaak die leidde tot het Wertenbroek arrest (dus: NJ 2010, 154).

Voor een goede doorgronding van het appèlprocesrecht blijft deze vraag echter van belang. Dat het ingewikkeld kan zijn, wordt geïllustreerd door laatstgenoemd arrest. Ofschoon geen sprake was van een grond ten betoge dat een in de eerste aanleg gedane uitspraak vernietigd moest worden, werd namens de Procureur-Generaal geconcludeerd dat de eisvermeerdering vernietigd zou moeten worden een grief zou zijn. Dit niettegenstaande dat deze eisvermeerdering er (dus) slechts toe strekte dat op basis van deskundigenberichten die uitgebracht waren na voornoemd tweede tussenarrest het oorspronkelijke bedrag dat in hoofdsom geëist was naar boven bijgesteld werd. Dat niettemin geconcludeerd werd dat de eisvermeerdering een grief zou zijn, heeft voornoemd dwaalspoor als reden; in de conclusie wordt ‘juist’ op dit punt expliciet naar voornoemde NJ-noot onder het arrest Willemsen/NOM verwezen.

Ten slotte

foto.SvS.BureauKraayenhoff

Foto Charlotte Schoemaker (iPhone 5s)

Het civiele (proces)recht behelst weliswaar geen wiskunde, maar wel een corpus van redeneringen. In voornoemd artikel is aangetoond dat velen, niet de eersten de besten, voornoemd dwaalspoor (en voorts óók nog een tweede dwaalspoor, nl. in de NJ-noot onder voornoemd Wertenbroekarrest) gevolgd hebben. In Willemsen/NOM is echter geen eisvermeerdering tot grief gebombardeerd teneinde deze eisvermeerdering tardief te kunnen laten zijn. De eisvermeerdering resp. beoogde eisvermeerdering is in haar hoedanigheid van eisvermeerdering in beginsel tardief – ‘4.2.4’ –, omdat de (beoogd) eisvermeerderaar reeds een art. 347 Rv-conclusie genomen heeft.
Het appèlprocesrecht is gecompliceerd èn boeiend.

Zie ook:

Appèlconsultancy