Noviomagus. In de editie van NRC Handelsblad van vandaag staat een fraaie aflevering van de rubriek De Uitspraak van Folkert Jensma. Het gaat om de eigenaar van een café dat bij wijze van overheidsmaatregel een betrekkelijk lange periode gesloten werd nadat een werkneemster, barvrouw, buiten medeweten van voornoemde eigenaar in het café gedeald had in cocaïne. De eigenaar eist schadevergoeding van de barvrouw en nadat de kantonrechter deze integraal toewees, vernietigde het hof het betreffende vonnis. Het besliste dat de café-eigenaar slechts recht had op vergoeding van zes van de vijftien maanden dat het café gesloten was.

Het commentaar van expert van het NJB Sjef van Swaaij

foto.NRCexpert

Foto SvS (iPhone 6)

In NRC Handelsblad wordt vermeld dat experts van het Nederlands Juristenblad commentaar geven en wordt vermeld dat ik ditmaal het commentaar geef. Al een paar keer eerder heb ik in die hoedanigheid commentaar gegeven in de NRC. Hieronder lees je mijn tekst, zoals deze te zien is op NRC.nl (recht en bestuur) alsmede op NJB.nl (NJBlog). In de ‘fysieke’ editie – de papieren krant – wordt onder het hoofdje ‘Wat vindt de expert ervan’ geparafraseerd wat ik ervan vind.

Omissie in de NRC Handelsblad

Helaas wordt daarbij vermeld dat ik zou beweren dat de aansprakelijkheid zou volgen uit art. 6:98 BW (in plaats van uit art. 6:162 BW), wat ik blijkens de tekst van onderstaand commentaar op NRC.nl en NJB.nl niet schrijf. Want ik schrijf dat de aansprakelijkheid volgt uit art. 6:162 BW.

Dit commentaar illustreert intussen meteen het grote nut voor de praktijk van het belangrijke beslisschema van Ton Hartlief over causaal toerekeningsverband (art. 6:98 BW), waarover vorige week op deze blog een bericht is geplaatst. MEER

De volledige tekst van het commentaar op NRC.nl (recht en bestuur)

Dat de eigenaar van het café volgens het hof geen recht heeft op volledige schadevergoeding, vergt enige toelichting.
Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden, zo bepaalt artikel 6:162 van ons Burgerlijk Wetboek. Uitgangspunt is hiermee dat alle schade die er zonder de onrechtmatige daad niet zou zijn geweest vergoed moet worden.
Soms kan dat wringen. Een schilder loopt door een fout van zijn collega een lichte verwonding op aan zijn hand waarvan (bijna) iedereen geneest, maar moet daarvoor zekerheidshalve even naar de huisarts. Onderweg overkomt hem een verkeersongeval. Dit maakt een operatie noodzakelijk. Bij deze operatie treedt een zeldzame complicatie op waardoor de schilder blijvend invalide wordt. Moet die collega zijn inkomensschade vergoeden? Wèl wat betreft dit artikel 6:162, want zonder die fout hoefde hij niet naar de huisarts. Maar het speciaal voor verplichtingen tot betaling van schadevergoeding geschreven artikel 6:98 BW beperkt de consequenties van voornoemd uitgangspunt dat alle schade vergoed moet worden die er zonder de onrechtmatige daad niet zou zijn. Het bepaalt dat slechts voor vergoeding in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. In de wet staat niet wanneer aan deze maatstaf voldaan is. In abstracto valt dat ook moeilijk te zeggen. De wetgever heeft het aan de rechter overgelaten.
Afgelopen weekend stond in het Nederlands Juristenblad een stuk van de Maastrichtse hoogleraar Burgerlijk recht T. Hartlief, die daarin kort en bondig laat zien dat ons hoogste gerecht, de Hoge Raad der Nederlanden, en de rechtswetenschap verzuimd hebben om de problematiek opnieuw te doordenken: een invloedrijke publicatie van de Groningse hoogleraar wijlen C.J.H. Brunner met daarin zes op jurisprudentieanalyse gebaseerde ‘vuistregels’ dateert al weer van bijna 35 jaar geleden en de tijd heeft niet stilgestaan. Hartlief lanceert een op ook latere, waaronder recente, rechtspraak gebaseerd beslisschema dat ongetwijfeld zijn nut voor de praktijk zal bewijzen. Is het gevolg normaal, typisch, in de lijn der verwachtingen liggend? Zo ja, dan vindt volgens dit schema toerekening plaats. Zo neen, dan is toerekening weliswaar niet uitgesloten, maar is er iets nodig wat haar, ondanks het abnormale gevolg, rechtvaardigt. De rechtvaardiging kan bijvoorbeeld zijn dat de onrechtmatige daad bestaat in het schenden van een norm die er nu juist is ter verhoging van de veiligheid (zoals de verkeersregel dat je niet door rood mag rijden) of dat het gaat om een bijzondere schadesoort, zoals schade veroorzaakt door lichamelijk letsel of het gegeven dat de schade opzettelijk is veroorzaakt dan wel dat de veroorzaker een ernstig verwijt valt te maken. Zonder zo’n rechtvaardiging vindt in dit schema geen toerekening plaats bij een abnormaal gevolg. Weliswaar is discussie mogelijk omtrent de vraag of een gevolg abnormaal is en of iets een rechtvaardiging oplevert, maar gezien de helderheid ervan, zal dit schema advocaten en rechters verder brengen, want meer houvast geven.

Terug naar de ongelukkige schilder. Blijvende invaliditeit als gevolg van voornoemde lichte verwonding aan zijn hand is een abnormaal gevolg, zodat de collega de schade door invaliditeit niet hoeft te vergoeden, tenzij er een rechtvaardiging is. Had de collega geen opzet en overtrad hij geen veiligheidsnorm, dan ligt toerekening niet voor de hand, ook al gaat het hier om letselschade.

Hoe zit het nu met ’s hofs oordeel dat de café-eigenaar slechts recht heeft vergoeding van 6/15 van zijn schade? Het hof baseert dit resultaat op voornoemd artikel 6:98. Alleen indien het een abnormaal gevolg zou zijn dat het café vijftien maanden lang dicht was, maar dat is het niet, zou ’s hofs beslissing in voornoemd schema passen. Zelfs als het een abnormaal gevolg is, dan zal de barvrouw samen met de coke verkopende bezoeker wat betreft dit wetsartikel toch de volledige schade moeten vergoeden in dit schema als er een rechtvaardiging is voor toerekening. Welnu, hen kan een ernstig verwijt gemaakt worden. Daarmee dringt zich sterk de vraag op of de door het hof gekozen weg de juiste is. Een andere weg ligt wellicht meer voor de hand: art. 6:101 BW. Dit betreft de eigen schuld van het slachtoffer en kent een hoofdregel die ertoe strekt dat de schadevergoedingsplicht verminderd wordt als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (veroorzaakte deze omstandigheid 40% van zijn schade, dan krijgt hij slechts 60% ervan vergoed). Volgens het hof was in deze zaak niet aangevoerd of gebleken dat sprake is van een omstandigheid die aan de caféeigenaar kan worden toegerekend. Het stelde echter vast dat het café plaatselijk bekend stond als plek waar gedeald werd. Weliswaar wist de eigenaar dit mogelijk niet, maar volgt daar uit dat van zo’n aan de eigenaar toe te rekenen omstandigheid ‘dus’ geen sprake zou zijn geweest? Ook als de eigenaar die wetenschap niet had en dit niet te wijten is aan zijn schuld, is toerekening toch mogelijk als de zogeheten verkeersopvatting dat meebrengt. Omdat ik het dossier niet ken, kan ik echter niet beoordelen of het hof (ook) op dit specifieke punt een steek heeft laten vallen.