Enge en ruime griefsomschrijving. ’s Hogen Raads relatief nieuwe vaste rechtspraak en de consequenties.

Noviomagus. HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21. Dat dit een voor het civiele appèlprocesrecht een belangrijk arrest is, komt naar voren uit Aflevering 1 van deze serie Elementair appèlprocesrecht voor gevorderden. Dit arrest pleegt Willemsen/NOM genoemd te worden. Strikt genomen is het Willemsen c.s./NOM, maar Willemsen c.s. duid ik in mannelijk enkelvoud aan als Willemsen. Dat bekt beter als je het arrest vaker noemt.

Wat is volgens de Hoge Raad een grief?

De griefsomschrijving van de Hoge Raad wordt onder meer geëxpliciteerd in rov. 4.2.1 van Willemsen/NOM. Daarin namelijk wordt vermeld dat naar ’s Hogen Raads huidige, vaste rechtspraak als grieven dienen te worden aangemerkt “{…} alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd (HR 3 februari 2006, nr. C 04/274, NJ 2006, 120).” 

Consequentie van ’s Hogen Raads griefsomschrijving

Foto.Telefonerend

Foto Debbie Bernasco

Indien een partij wier eis in eerste aanleg afgewezen is bij het vonnis a quo voor het eerst in hoger beroep  en bovendien pas bij gelegenheid van pleidooi ten betoge dat dit vonnis vernietigd moet worden een bepaald feit stelt (dat niet van algemene bekendheid is) en/of een al dan niet aan dat feit gerelateerd beroep doet op bijvoorbeeld verjaring, mag de rechter niet op basis daarvan dit vonnis vernietigen. Want het gaat in deze casus om een grief, en deze grief is tardief. Immers, bij gelegenheid van pleidooi is de conclusie van eis resp. memorie van grieven reeds een gepasseerd station. In rov. 4.2.2 van Willemsen/NOM oordeelt de Hoge Raad:

“De door de Hoge Raad als juist aanvaarde ruime uitleg van het begrip grief hangt samen met de bepaling van art. 347 lid 1 Rv., dat in hoger beroep slechts een conclusie van eis en een conclusie van antwoord worden genomen, welke regel beoogt het debat in hoger beroep te beperken. Deze regel brengt mee dat de geïntimeerde bij het inrichten van zijn verweer in beginsel ervan mag uitgaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appel door de conclusie van eis is vastgelegd en geen rekening ermee hoeft te houden dat zijn verweer tot nieuwe grieven aanleiding kan geven. Daaruit volgt dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan de conclusie van eis, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) de conclusie van antwoord worden aangevoerd.”

van Swaaij Cassatie & Consultancy

Het begrip “grief”: ruime en enge omschrijving

In de hiervóór geciteerde rov. 4.2.2 heeft de Hoge Raad het (dus) over de door hem als juist aanvaarde “{…} ruime  uitleg van het begrip grief {…}”. Hoe is het gesteld met de enge uitleg van dit begrip?

In voornoemde casus valt de rechter in eerste aanleg uiteraard niet te verwijten dat hij ‘niets gedaan’  heeft met dat pas voor het eerst in appèl gestelde feit resp. gedane beroep op verjaring. Welnu, in de enge uitleg van het begrip grief gaat het in deze casus (dan) ook niet om een grief.  Zo zet Heemskerk in zijn NJ-noot onder HR 19 januari 1979, NJ 1980, 124, het aanvoeren van grieven af tegen zowel het verbeteren en aanvullen door appellant van hetgeen hij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten, als het stellen van feiten die plaatsgevonden hebben na de uitspraak a quo.

’s Hogen Raads huidige, ruime griefsomschrijving omvat wat in de vroegere, oude griefsomschrijving een grief was. In de literatuur wordt het aldus verwoord, dat in de oude griefsomschrijving het begrip grief staat voor een bezwaar van appellant tegen een rechterlijke fout, waaronder een onvolledigheid.

Dat kan veel scherper verwoord worden

Foto.Fiets.Fotoshoot

Foto Debbie Bernasco

Geen ‘bezwaren’, doch verwijten/klachten! Intussen omschrijve men in de enge opvatting grieven maar beter niet als bezwaren, doch als verwijten of, zo men wil, klachten. Dat is scherper: een grief is een uiting van droefheid aangaande een volgens appellant door de lagere rechter gemaakte fout (zoals een cassatieklacht, gezien art. 79 RO, ook zo’n uiting moet zijn). Scherper, want men kan zonder ook maar enig verlies van geloofwaardigheid stellen bezwaar te hebben tegen een vonnis en tegelijk degene die het gewezen heeft zelfs complimenteren.

Als bijvoorbeeld oorspronkelijk gedaagde ondanks zijn verweer dat de daad niet onrechtmatig is tot betaling van schadevergoeding veroordeeld is en in appèl voor het eerst stelt dat niet hij, maar zijn tot dan toe niemand bekende eeneiige tweelingbroer de daad pleegde, voert hij een grond aan ten betoge dat het vonnis a quo vernietigd moet worden. In taalkundige zin heeft hij een bezwaar tegen het vonnis a quo, heeft hij er last van. En last is een betekenis die de term bezwaar volgens de Van Dale heeft. Wie prima facie zou menen dat de term verwijt als nadeel zou hebben dat het ‘te dichtbij komt’ (rechter persoonlijk), onderkenne dat het functioneel jargon betreft of gebruike maar apostroftekens (‘verwijt’) of spreke gewoon van klacht.

van Swaaij Cassatie & Consultancy

Relevantie

In voornoemde casus maakt de appellant met hetgeen hij in hoger beroep voor het eerst aanvoert bij pleidooi (dus: ten betoge dat het vonnis a quo vernietigd moet worden) in de enge griefsomschrijving nog kans dat hij er succes mee boekt, want volgens deze omschrijving is geen sprake van een grief. Het hangt ‘slechts’ van de eisen van een goede procesorde af of de appèlrechter het aldus aangevoerde mag ‘meenemen’.
In de ruime griefsomschrijving, die (dus) de griefsomschrijving is van de Hoge Raad is, gaat het om een tardieve grief, en mag de appèlrechter er niets mee doen. Vernietigt hij op basis van deze tardieve grief toch het vonnis a quo, dan is er een geheide cassatieklacht.

P.S. Het voorgaande is een bouwsteen van een betoog in mijn laatste publicatie van 2013. MEER