foto.NTBR

Foto SvS (iPhone 6)

Noviomagus. In de jongste editie van het NTBR (september 2015) staat een door mij vandaag in de vroege ochtend gelezen stuk van N.E. Groeneveld-Tijssens met als opschrift De Hoge Raad en de verklaring voor recht. Aanleiding van dit stuk is HR 27 maart 2015, RvdW 2015, 450 (AIG/X). In rov. 4.1.2 oordeelt het cassatiecollege:

„Indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, dient de rechter ervan uit te gaan dat eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat geldt ook als niet tevens een veroordeling tot schadevergoeding of tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd. Voor zover in HR 30 maart 1951, NJ 1952/29 anders is geoordeeld, komt de Hoge Raad daarvan terug.”

Maar wat nu, zo vraagt Groeneveld-Tijssens zich af, als een declaratoir geëist wordt dat inhoudt dat gedaagde een verbintenis uit een met eiser gesloten overeenkomst moet nakomen of ten onrechte een aan eiser toebehorende zaak in bezit heeft? Zij betoogt dat voor gevallen buiten aansprakelijkheid nog immer uitgangspunt is dat wie een louter tot een verklaring voor recht strekkende eist instelt, bijzondere omstandigheden moet stellen die rechtvaardigen dat met deze eis volstaan wordt. Minst genomen voert de auteur daar sterke argumenten voor aan.